Landstede Groep

Met trots presenteren wij de poster van de cognitieve functies

24-11-2016

Met trots presenteren wij de door ons ontwikkelde poster van de cognitieve functies.

 

 

Naast deze poster hebben wij ook een cognicycle ontwikkeld die bijvoorbeeld handig in te zetten is tijdens de begeleiding van leerlingen/studenten.

Ben jij in het bezit van onze cognicycle en wil je weten hoe je deze in elkaar zet? Klik dan op deze link voor het instructiefilmpje.

Betekenis cognitieve functies

Informatie verzamelen

Gefocust waarnemen
Ik gebruik al mijn zintuigen (gehoor, gezicht, tast, smaak en reuk). Dat doe ik heel gericht en scherp. Zo kan ik alle nodige informatie verzamelen en ervoor zorgen dat alles duidelijk is.
Tijd nemen om waar te nemen.

Systematisch waarnemen
Ik zoek stap voor stap om te vermijden dat ik belangrijke zaken vergeet of dat ik steeds hetzelfde doe.
Ik werk volgens een systeem.

Benoemen
“Wat is dit? Hoe zal ik dit noemen?” Ik geef een naam aan wat ik hoor, zie, voel, proef of ruik. Zo kan ik het beter onthouden en erover nadenken.
Alles heeft een naam.

Plaats bepalen in de ruimte
“Waar staat dit? Hoe staat het? Waar iets staat ten opzichte van iets anders? Waar sta ik?” Ik zoek de woorden om te beschrijven waar iets zich bevindt.
Ik vraag mij af: “Waar en hoe?”

Tijdsbepaling
“Wanneer gebeurt dit? Is er een volgorde? Weet ik wanneer iets gebeurt ten opzichte van iets anders? Waar sta ik in de tijd?” Ik zoek de woorden om te beschrijven wanneer en in welke volgorde iets gebeurt.
Ik vraag mij af: “Wanneer?” en “In welke volgorde?”

Constanten herkennen
Ik ga na welke kenmerken (grootte, vorm, hoeveelheid, kleur, richting, functie enzovoort) van personen, voorwerpen en gebeurtenissen hetzelfde blijven en welke zouden kunnen veranderen.
Wat verandert en wat blijft hetzelfde?

Precies en zorgvuldig zijn
Ik vind het nodig om nauwkeurig en zorgvuldig te zijn.
Zo precies en zorgvuldig mogelijk.

Meerdere informatiebronnen overwegen
Ik kan meerdere informatiebronnen tegelijk in overweging nemen. Of ik gebruik achtereenvolgens meerdere informatiebronnen en verbind deze met elkaar.
Wat staat hier en wat staat daar? Wat hoort bij elkaar?

Verwerken van informatie

Probleem herkennen en benoemen
Ik herken een probleem en omschrijf het duidelijk. Als ik een probleem omschrijf, word ik nieuwsgierig en gemotiveerd om een oplossing te bedenken. 
Is er een probleem? Wat is het?

Relevante data onderscheiden
Ik zoek in de gegevens die ik heb verzameld naar die gegevens die bruikbaar (relevant) zijn. Sommige aanwijzingen heb ik niet nodig (irrelevant) om het probleem te definiëren.
Wat heb ik hier nodig om mijn probleem te definiëren en wat niet?

Spontaan vergelijken
Ik vraag mij af wat gelijk is en wat verschillend is in de informatie die ik heb. Ik vergelijk ook met wat ik al weet. Dat doe ik spontaan.
Wat komt overeen en wat is verschillend?

Toereikend  werkgeheugen
“Heb ik met alles rekening gehouden? Lukt mij dat met alle stukjes informatie of is het mij teveel?” Ik houd alles stukjes informatie waar ik op moet letten in gedachten.
Ik sla alles tijdelijk in gedachten op.

Verbanden leggen
Ik stel mij de vragen: “Herken ik dit?” en “Is er een verband met iets anders?” Als ik verbanden kan leggen, ga ik begrijpen hoe gebeurtenissen samenhangen en kan ik deze ordenen. Gebeurtenissen kunnen dan voor mij een zinvolle samenhang krijgen.
Waar doet dit mij aan denken?

Logisch bewijs zoeken
Ik vraag mij steeds af: “Waarom is dit zo? Klopt dit wel?” Ik aanvaard wat ik kan bewijzen.
Ik wil bewijzen zoeken.

Verinnerlijken
Ik maak in mijn hoofd een beeld van de gegevens en ik houd dit beeld vast.  Als die beelden een onafscheidelijk onderdeel van mijn denken of voelen zijn geworden, zijn zij verinnerlijkt.
Het in gedachten zien.

Hypotheses bedenken
Ik maak hypotheses. Ik overweeg meerdere mogelijkheden en ik vraag mij telkens af wat er kan gebeuren. Ik ga na wat ik uit deze informatie kan afleiden.
Wat…, als…?

Hypotheses checken
“Gebeurt er inderdaad wat ik veronderstel?” Ik heb iets bedacht en zoek nu verschillende strategieën om te controleren of mijn hypotheses kloppen.
Eerst mijn hypotheses controleren.

Speelveld bepalen
Ik vraag mij af: “Waar hoort dit probleem ergens thuis? Waar moet ik het antwoord zoeken? Met welke grenzen heb ik te maken?” Kortom: wat is het oplossingskader?
Waar zoek ik de oplossing?

Vooruitdenken en plannen
Ik maak een plan voor al de stappen die ik moet zetten om mijn doel te bereiken. Daarbij moet ik over de toekomst nadenken en vooruitdenken.
Een goed plan is de basis.

Concepten gebruiken
Ik geef een naam aan al de stappen die ik in gedachten zet. Ik kan overkoepelende begrippen gebruiken (zoals categorieën, groepen, principes, regels).
Benoemen wat je bedenkt.

Opsommen en ordenen
Ik maak een overzicht van alle informatie en orden de informatie op een manier die mij helpt. Ik ga na hoeveel informatie ik heb. Ik houd bij hoever ik ben gekomen.
Tellen, ordenen en meten om alles te weten.

Oplossingen weergeven

Begrijpelijk communiceren
Ik formuleer mijn antwoorden zo, dat ze voor anderen begrijpelijk zijn. Ik verplaats mij in de schoenen van de luisteraar.
Ik zorg dat de ander mij begrijpt.

Onderliggende verbanden zichtbaar maken
Ik probeer verbanden die je niet onmiddellijk kunt waarnemen te ontdekken en maak deze duidelijk.
Is er meer dan ik kan zien op het eerste gezicht?

Strategieën flexibel inzetten
Ik blijf kalm wanneer ik niet weet hoe ik verder moet gaan. Ik stel het even uit en zoek een andere strategie om mijn doel te bereiken.
Rustig blijven, dan kom ik er wel uit.

Gissen en missen voorkomen
Ik vermijd het om zomaar de ene na de andere oplossing uit te proberen tot ik toevallig de juiste heb gevonden. Als ik een oplossing probeer die niet juist blijkt te zijn, wil ik daar wel iets van leren!
Ik raad er niet zomaar op los.

Kunnen verwoorden
Ik beschik over de juiste woorden en concepten en kan de oplossing die ik heb bedacht verwoorden.
Wat ik weet kan ik uitleggen.

Nauwkeurig en zorgvuldig weergeven
Ook bij het geven van mijn antwoord vind ik het nodig om zo nauwkeurig en zorgvuldig mogelijk te zijn.
Ik werk nauwkeurig en zorgvuldig tot het eind.

Correct visueel transporteren
Ik houd een plaatje in gedachten vast tot het moment dat ik het nodig heb om mijn antwoord weer te geven. Ik kan een puzzelstuk of ontbrekend deel in gedachten vasthouden, verplaatsen en de juiste plek geven. Ik zorg ervoor dat ik de informatie onderweg niet kwijtraak of vervorm.
Ik houd alle beelden vast tot aan het eind.

Impulsiviteit beheersen
Ik geef mijn antwoord niet te impulsief, maar neem de tijd om na te denken.
Een momentje..., IK DENK NA!